Verslag van de clubvergadering van 13 december 2013




Yüklə 31.56 Kb.
tarix22.04.2016
ölçüsü31.56 Kb.


Verslag van de clubvergadering van 13 december 2013

Cactusclub AYLOSTERA vzw

Onderwerp : op verkenning in het noorden van Tenerife
Op deze gure en koude decemberavond waren toch nog 14 deelnemers komen opdagen. Beneden in de grote zaal was er een voordracht gegeven door oud-mandataris Sven GATZ over de Belgische bieren, maar wij waren verwacht op prachtige en zonnige ontdekkingstochten doorheen het noordelijk deel van het paradijselijke eiland Tenerife met als gids de eminente botanicus Albert LEROY, ons allen bekend.

Maar eerst nog enkele welkomstwoorden van onze Voorzitter Jef op deze laatste clubvergadering van het jaar, de voorstelling van onze eerste kleurrijke kalender met beelden van het laatste werkjaar (voor de lage prijs van 6 €), een project dat ieder jaar zal herhaald worden.

Maar nu zo vlug mogelijk naar het zonnige Tenerife, waar momenteel (december 2013) zeer veel regen valt met overstromingen tot gevolg.
Maar vriend Albert brengt alleen beelden met veel zon en een prachtige inheemse flora. Voor onze Albert was 2013 zijn laatste werkjaar als erkend botanicus met licentie tot veldonderzoek en deelname aan academische activiteiten, dit omwille van ouderdom en gezondheidsredenen, maar er komen nog wel logeermogelijkheden (voor 650 € per 14 dagen) en toeristische uitstappen op dat zonovergoten eiland.

Tenerife behoort tot de eilandengroep der Canarische Eilanden (Islas Canarias of Islas Afortunados, “gelukzalige eilanden”). De archipel bestaat uit zeven grote eilanden (van oost naar west : Lanzarote, Fuerteventura, Gran Canaria, Tenerife, La Gomera, La Palma en Hierro) en een vijftal kleine eilanden (een zesde is op komst). Tenerife is het grootste eiland (2.352 km2 – België is 30.507 km2), dat gevormd is rond een steile vulkaan met de Pico del Teide (3.718 m), die oprijst uit de caldera en het grootste deel van het jaar bedekt is met sneeuw. De hoofdstad is Santa Cruz de Tenerife. De eilanden, gelegen tussen 27° en 29° NB en 13° tot 18° WL, zijn van vulkanische oorsprong, zoals kan afgeleid worden uit de grote, meestal uitgedoofde krateropeningen (calderas), die men nog vindt op Gran Canaria, Palma, Hierro en Tenerife en grote vulkaanuitbarstingen vonden er vroeger plaats. De oostelijke groep (Lanzarote en Fuerteventura) heeft een continentaal klimaat (geen regenval, veel zandstormen), Gran Canaria heeft een overgangsklimaat en de westelijke groep (Tenerife, Gomera, Palma en Hierro) heeft een oceanisch zacht klimaat met kleine verschillen tussen zomer- en wintertemperatuur.

De eilanden liggen 95 tot 445 km ten westen van de Afrikaanse kust (Marokko en de Westelijke Sahara) en kennen een invasie van bootvluchtelingen uit dit zwarte continent. De kleinere westelijk eilanden (Hierro, La Palma, La Gomera) krijgen door de noordoostpassat rijkelijk neerslag, met een groene vegetatie tot gevolg. Tenerife biedt prachtige wandelgebieden en fraaie stranden; Gran Canaria heeft goudgele duinenrijen; Fuerteventura en Lanzarote in het oosten zijn de oudste eilanden met kale vulkaanlandschappen.

Toen de Portugezen in de 14e eeuw de eilanden bezochten vonden zij er de Guanchen, een bevolkingsgroep die gerekend wordt tot de Berbers en er nog op een lage trap van ontwikkeling stonden (neolitische cultuur). Ze leefden er in grotten en werden bij de kolonisatie door de Spanjaarden gedeeltelijk uitgemoord of als slaven weggevoerd. Naast de landbouw (bananen, tomaten, vroege aardappelen, vlas) is de archipel de laatste decennia ontsloten voor het toerisme (met alle minder goede gevolgen van dien voor de plaatselijke bevolking).








De Canarische Eilanden

Het eiland Tenerife

Maar nu onze bergschoenen aan en op trektocht met gids Albert in de ongerepte natuur van het noordelijk deel van het eiland, grotendeels bestaande uit het Anaga-gebergte. De eerste vallei die we intrekken noemt El Batan, waar vroeger veel vlas werd gekweekt (naam afgeleid van ‘battre’ = slaan, vlas roten) en een textielindustrie bestond. Het wandelpad is afgezet met poëtische borden doorheen het Anaga-gebergte. Het zicht op de vallei toont de vele terrassen waar vroeger aardappelen en vlas gekweekt werden en die nu verlaten zijn omdat de plaatselijke bewoners naar de steden trokken om te werken in de toeristische sector. Een eerste exoot die we tegenkomen in een populatie van Agave americana, destijds per vergissing ingevoerd door de Hollanders voor vezelproductie (dit moest de Agave sisalana zijn die veel langere en sterkere vezels heeft).

Een eerste florale vondst is Habenaria tridactylites (met drie vingers), één van de negen soorten wilde orchideeën op het eiland. Ook de braambessen aldaar zijn anders dan bij ons, ze hebben drietallige bladeren (in plaats van vijf). Dan volgt een reeks van inheemse planten op de richels van lavasteen, zoals Centranthus ruber, Isoplexis canariensis (bevat een stof voor behandeling van afstotingsverschijnselen bij ingeplante organen), Monanthes wildpretti (gevonden in 1997), Sochus congestus (een paardenbloem met grote, ‘opeen gehoopte’ knolwortel, gedeeltelijk bovengronds). Enkele zichten in de vallei tonen ons vijf hybriden van Monanthes X Aeonium en de verlaten gebouwen voor vlasbewerking. Het sap van Aeonium lindleyi beschermt de ogen tegen de bijtende latex van Euphorbia; de soort Aeonium canariense kan zeer groot worden. De dikke, rolronde duizendpoten Ommatoiulus moreletii doen zich te goed aan een Opuntia-vijg. Het levermos Diplophyllum albicans (witachtig) is niet endemisch en gelijkt op Sedum. Vanaf een hoogtepunt in de vallei zien we in de verte de zee, op ongeveer 3 uur stappen. Een kabelbaan overspant de vallei voor transport van landbouwgewassen. Door de menggroei van Aeonium canariense en A. tabuliforme ontstaan allerlei hybriden. Wat verder terug enkele prachtexemplaren van de wilde orchidee Habenaria tridactylites, met blaadjes gedeeltelijk verbrand door de zon. We bevinden ons nu in het centrum van de habitat van Aeonium tabuliforme met honderden exemplaren. Bij de afdaling naar het dorpje Hidalgo passeren we enkele grotwoningen : een gemetselde constructie voor de flank van de berg met daar achter kamers uitgehouwen in de puimsteenrotsen; maar ook een armtierige barak van enkele platen en zeilen met de armoedige bewoner (op 7 km van de bewoonde wereld). Een moderne grotwoning heeft alle comfort en binnenin heerst er een constante temperatuur van 18 – 19°C, terwijl het in de winter buiten minder is dan 8°C. Ook worden enkele grotten deels verborgen door grote partijen Euphorbia canariensis, een cactusachtige wolfsmelksoort met grote hoeveelheden uiterst giftig melksap. Haar forse stengels bereiken tot 3 m hoogte, maar dan liggen deze ook reeds enkele meters op de grond. De grotten werden eertijds bewoond door de Guanchen (vanaf ± 1.000 v. Chr.).



Monanthes praegerii is één van de 14 soorten op Tenerife, hij groeit deels onder uitstekende rotsblokken om een deel van de dag wat schaduw te hebben; de rozet van dit kleine plantje meet slechts 18 mm. De aronskelk Dracunculus canariensis (familie der Araceae) heeft een bloem die tot 80 cm lang wordt; Scilla latifolia (met brede bladeren) heeft tot 45 cm doormeter. Na een klimpartij bewonderen we de prachtige Lycaena phlaeas, één van de ± 180 vlindersoorten op Tenerife. Asclepia rubeosa behoort tot de familie van Ceropegia (Asclepiadaceae) en is een waardplant voor de Monarch-vlinder, hierop zorgt hij voor zijn nageslacht. Enkele jonge exemplaren van Euphorbia canariensis met zijn uiterst giftig melksap leiden ons naar een boomvormige Opuntia ficus-indica (tot 3 m hoog), met zijn grote heerlijke vijgen en vroeger ook aangeplant voor het kweken van de cochenille-luis, waarvan de karmijnrode kleurstof bekomen na het drogen en zeven van de beestjes tot 10.000 € per kilo opleverde. Een “cohorte” van wilde geiten kruist ons pad, een gevaarlijke situatie waarbij groepen tot 100 geiten, aangevoerd door het α-vrouwtje, ons pad kruisen en alle voorrang opeisen.

We trekken verder naar het noorden tot Afur, een bergdorpje gelegen in een militair gebied, alleen toegankelijk bij bezit van de nodige toelating. Na een nieuwe confrontatie met een geitentroep bereiken we enkele afgelegen woningen gebouwd tegen en in de rotsen en wat verder een primitieve grotwoning. We genieten van de gevarieerde flora van de vallei en bemerken de woonst van een heremiet (‘clochard’) met zijn primitieve voorzieningen. Steeds maar geiten leiden ons naar het dorp Afur. In een boom zingt de Serinus canaria, de stamvader van onze kanarievogel, met zijn grauw en groen vederkleed. Een lastige klim is mogelijk dank zij een trap, gemaakt van de bloeistengels van agavenplanten, die gepakt werden voor de bloeirijpheid zodat de schacht vol en sterk blijft. Hier en daar nog een Dracaena draco (drakenbloedboom), gewoonlijk een lelijk specimen dat niet uitgegraven werd om in de tuin van een hotel te pronken. Het plantje Monanthes polyphylla groeit altijd in rotsspleten; de Aeonium tabuliforme bereikt tot meer dan 30 cm doormeter; een hybride van A. lindleyi en A. tabuliforme kreeg de naam Aeonium X anaga (naar het gebergte waarop hij groeit). En steeds weer Monanthes polyphylla, die tapijten vormt met een doormeter tot meer dan 1 m en duizenden kopjes. Eerder zeldzaam is de cristaatvorm Aeonium ciliatum fa. cristata met zijn fijn gewimperde bladranden. Monanthes minima is maximaal 5 mm groot en in rust slechts 2 mm, dus haast onvindbaar. Een Euphorbia canariense fa. spiralis heeft 4 tot 6 gedraaide, in plaats van loodrechte, ribben; deze is normaal rechtsdraaiend in het noordelijk halfrond en linksdraaiend in het zuidelijk halfrond, maar door de relatieve nabijheid van de evenaar vinden we beide variëteiten op Tenerife. Andiantum capillus-veneris (venushaar) is een schattig varenplantje gebruikt in bloemenzaken. Terug een van de vele prachtige vergezichten met de enorme diversiteit aan planten en dan bewonderen we Ceropegia dichotoma, een veelvuldig aan de basis vertakkende soort, die tot 1,5 m hoog kan worden en herhaaldelijk groepjes gele bloemetjes draagt met bizarre vijfdelige kroon; na een rustperiode is de laatste groeischeut soms helemaal verschrompeld. Ook bemerken we onze eerste Aeonium urbicum, een soort met enkelvoudige verlengde stengel, en daarna nog Periploca laevigata, een gladbladige verwante van Ceropegia. En dan eindelijk de Danaus chrysippus of Monarch-vlinder in al zijn pracht. Sedum rubens is inheems op Tenerife en 4 à 5-jarig. Een ander deel van de vallei is begroeid met Aeonium tabuliforme en A. lindleyi; deze bloeien tegelijkertijd zodat vele kruisingen ontstaan. De bladeren van de alom tegenwoordige Aeonium tabuliforme zijn zeer lang, zodat de rozetten tot 50 cm doormeter bereiken. Een prachtexemplaar van Aeonium lindleyi is gericht naar de zee, zodat hij bijna dagelijks mist krijgt als bevloeiing. Overal pronkt ook Monanthes polyphylla en een grote groep Euphorbia canariensis omkadert het zicht op zee, nu nog 45 minuten stappen. We passeren het huisje van de strandjutter en een Ceropegia dichotoma staat goed gespannen na een fikse regenbui. Een beekje is herschapen tot waterval en we bewonderen een grote verzameling van alle hoger genoemd planten, maar ook Euphorbia broussonetii is van de partij. Na een mooie Monanthes praegeri ontdekken we een Astidamia latifolia, wiens bladeren vroeger door de zeerovers gedroogd werden omdat ze rijk zijn aan vitamine C en een probaat middel tegen scheurbuik tijdens hun rooftochten op zee. De hagedis Gallotia gallotii wordt 40 tot 80 cm lang en het mannetje toont fier zijn gestreept kleurenpatroon. We vergelijken het strand bij kalme en bij ruwe zee en vinden er zelfs halfedelstenen tussen de keien. Het einde van de terugweg loopt weer over terrassencultuur in de vallei.
Na deze zware trektocht nemen we een pauze om terug op adem te komen, we lessen onze dorst bij Bob, kopen enkele clubkalenders 2014 en enkele lotjes van de tombola.

De tweede grote exploratietocht door het noorden van Albert zijn eiland Tenerife brengt ons naar Taganana en Los Carboneras. De vallei begint ook hier met terrassen voor aardappelteelt; deze duurt gemiddeld 9 weken en levert dus 4 à 5 oogsten per jaar. Toch moeten er nog aardappelen ingevoerd worden. De Monanthes anagensis alhier heeft overstaande bladeren op de stengel staan, anders dan bij de Monanthes laxiflora, waar deze spiraalvormig geplaatst zijn. Aeonium ciliatum heeft mooi gewimperde bladranden en een A. canariense staat te braden in de volle zon. De reuzenvarensoort Dryopteris oligodonta heeft zeer grote bladeren (tot meer dan 2 m lang), die een probaat middel zijn in bergschoenen tegen vermoeidheid en tot verfrissing van de voeten. We bewonderen de kleurenpracht van de vlinder Pararge xiphioides. Aeonium ciliatum vertakt altijd en alle takken bloeien tegelijkertijd. Een paartje hagedissen Gallotia gallotii ligt te zonnebaden op een rotsblok, het gevlamde mannetje is zeker 80 cm lang en bewust van zijn schoonheid. Ieder stuk van de vallei is weer anders en biedt steeds verrassende vergezichten. De Artemesia reptans is een neef van A. absinthium (alsem) en wordt ook gebruikt bij het stoken van likeur. Het dorp Los Carboneras ligt helemaal boven op de berg omdat hier een bron is, maar het bronwater heeft een lavasmaak, vandaar de dorpsnaam. Ook hier aardappelcultuur op terrassen met bevloeiing en we zien hier ook boomheide staan die 5 tot 6 m hoog wordt en zeer brandbaar is.

De citroenboom Citrus limonium toont zijn frêle bloempjes en pronkt met kleine vruchten. Limonium arborescens (ook bekend onder de geslachtsnaam Statice) levert ons droogbloemn voor boeketten en wordt op het eiland 2 tot 3 m hoog (bij ons vormt Statice lage struikjes). Op Tenerife groeien er 7 soorten van dit geslacht.

We dalen het bergpad af gaande van Taganana naar Chinamada, waar alle woningen in grotten ingericht zijn. Overal opnieuw Aeonium tabuliforme en dan een Retam retamar-boom, waarvan de wortels zich wringen tussen de rotsen zodat deze open splijten en weg brokkelen. Het was een zware wandeling, alleen geschikt voor goede bergwandelaars.

Een volgende tocht brengt ons naar het uiterste noorden, naar Chamorga met de vuurtoren Faro de Anaga. We vertrekken voor dag en dauw om 7u30, eerst een autorit van 110 km, dan een zware dagtocht rond Chamorga. Hier vinden we één van de grootste Aeonium-soorten, A. cuneatum (wigvormig) met een grote gele bloem, naakte (niet viltige) bladeren en zeer nectarrijke bloemen. Hij vormt wel zijscheuten (in tegenstelling tot A. canariense die geen zijscheuten vormt) en wordt aldus zeer breed (tot 1,20 m). Het siergras Briza maxima vormt een kleine toef van rechtopstaande stengels met tot 1 cm brede, puntige, heldergroene bladeren en bovenaan een losse tros van hangende, hartvormige aartjes, die tot 2,5 cm lang zijn; ideaal in bloemenstukken en droogboeketten. De caudex-plant Canarina canariensis vormt een wortel tot 1 m lang en 10 cm doormeter en is getooid met kleine, bruine, klokvormige bloempjes. Deze bloem staat in het wapenschild van Tenerife en is streng beschermd door de overheidsdiensten (dus nooit plukken). De Bryonia verrucosa met platte bladeren is zeer giftig in al zijn delen en draagt giftige vruchten (familie der Solanaceae). Monanthes anagensis vormt grote tapijten op puimsteenrotsen en Lotus pyranthus is één van de mooiste planten op het eiland, een bedreigde soort die 12 maanden per jaar bloeit.

Een Dracaena draco heeft luchtwortels en een herder draagt een grote bussel groenvoer voor zijn geiten. Een grote Aeonium canariense is zeer breed, draagt een bloem van 1,70 m hoog, een blad meet 39 cm zodat de doormeter van de plant ongeveer 90 cm is. Monanthes laxiflora fa. rubra is roodbloeiend en de bladeren zijn bedekt met een waslaag als bescherming tegen de zon. Geranium canariensis is een wilde soort met een knolwortel (caudex) zo groot als een kleine voetbal; hij kan ook bij ons in een serre gekweekt worden. De bijen omzwermen de bloemen van Aeonium lindleyi, die hier groeit op een hoogte van 950 tot 1000 m. Na een Opuntia ficus-indica vinden we de frêle Allium paniculatum, een zachte looksoort, die bloeit met bloemtrossen en een zeer speciale smaak heeft; de volledige plant wordt fris geconsumeerd. De bergpas werd deels uitgehouwen in de basaltrotsen, overal bemerken we korstmossen die groeien dank zij het vocht van ’s nachts indrijvende mist. Een gamma van Aeonium-soorten (A. ciliatum, A. canariense en A. decorum fa. Tenerife) siert onze bergpas samen met Monanthes laxiflora fa. rubra. Aeonium canariense bereikt een doormeter van 80 cm. Ook oude Opuntia-bomen tonen hun grote omvang.



Echium simplex is een reuzenplant in de flora van de Canarische Eilanden en bloeit na 6 – 7 jaar, wordt daarbij tot 4 m hoog om daarna af te sterven. Een wilde iris met wortelstok bloeit met knalgele bloem. Het bergpad bereikt een hoogte van 1700 m; hier kan een rups eten en overleven op Ceropegia dichotoma, nochtans een zure en bittere plant. Vanaf het uitzichtpunt zien we een klein eilandje Roque Bermejo, dat bij laag water te voet kan betreden worden. Een lokale bewoonster draagt de grote mand veldvruchten op haar hoofd, zodat ze bij de lastige afdaling de beide handen vrij heeft om haar evenwicht te behouden op het wankel bergpad. De vuurtoren staat op ongeveer 600 m hoogte en op 4 uur te voet van de bewoonde wereld. In dit gebied heeft Limonium arborescens (een droogbloemsoort) haar enige natuurlijke groeiplaats ter wereld. We trekken door een lappendeken van allerlei planten en overal zien we korstmossen, want op Tenerife zijn er 131 endemische planten. We passeren enkele boerderijgronden van de Hermitage (een soort klooster). Ook hier een jonge Dracaena draco en een Echium simplex in bloei is meer dan 3,50 m hoog met zeer nectarrijke bloemen. Hier staan ook grote exemplaren van de breed vertakkende Euphorbia balsamifera naast de kleinere Euphorbia broussonetii, samen met vele Ceropegia dichotoma en C. krainzii. De plant Astydamia latifolia bevat veel vitamine C. Een moerbeiboom Morus alba dateert uit de tijd van de kweek van zijderupsen want hij is hier altijd bebladerd (dus is er steeds eten voor de rupsen) en hij draagt zeer zoete vruchten, een lekkernij voor de vogels. Een watervalletje biedt verfrissing voor de vermoeide wandelaars en de Gonospermum fruticosum is familie van het boerenwormkruid en biedt dus culinaire mogelijkheden. We trekken door Las Casas Blanca, een groep van verlaten witte boerderijen, en vinden Monanthes brachycaulon. Een jager op wilde konijnen draagt een koker met een fret op zijn rug en vele konijntjes als scalpen aan zijn gordel. Het diertje heeft het hier zeer gemakkelijk want een konijnenpijp heeft hier geen nooduitgang zoals in onze streken en het konijntje is dus altijd een prooi voor de … fret.

We keren terug naar Chamorga en houden halt in de Hemitage, een zelfbedruipende “abdij” met aanplant van ingevoerde dadelpalmen. De Aichryson laxum is een vierjarige plant die na de bloei afsterft en Solanum nava is een mini-tomaatje met stekels op de stengels en de bladeren. De paardenbloem Sochus acaulis wordt tot 2 m hoog en heeft een rozet met doormeter tot 2,10 m. Monanthes brachycaulon groeit in trapvorm (zijtakken zijn niet overstaand). Een wilde duif draagt de poëtische naam Streptopelia turtu turtu en lijkt op een veelkleurige tortelduif. We doorkruisen de Barranco Balaya met de beek El Rio, die toch vele maanden per jaar droog staat. De klim lijkt op het eerste zicht niet gemakkelijk. De hybride Aeonium canariense X A. ciliatum staat op het punt te bloeien. Een kleine steenlawine doet dienst als trap om 8 – 9 m te klimmen, maar wat verder is er geen trap meer. De Monanthes praegeri draagt een bloempje met 3 à 4 mm doormeter en deze is zeer veranderlijk van vorm. Dan volgt nog een Monanthes brachycaulon en wat verder staan we voor een muur van een bergwand (Help, doorgang gezocht !). Een reeks van Aeonium ciliatum-planten markeert een waterader tussen twee rotsspleten. Lavendula buchii is één van de vijf lavendelsoorten op het eiland en geen enkele soort heeft een geur. Een grote rotsblok ligt in labiel evenwicht boven op de flank van de wandelweg, wanneer valt ie ? In Tenerife zijn er gemiddeld 3 à 4 lichte aardbevingen per dag van 2 tot 3 op de schaal van Richter. Enkele jaren geleden maakte Albert een grote aardbeving mee van 7,3 op bovengenoemde schaal en het eiland telt meer dan 600 uitgedoofde vulkaankraters. Soms is er ook een flinke aardverschuiving. Hier en daar zien we rotsblokken met fossiele oesterschelpen, die opgestuwd zijn in lava en basalt van 5 à 6.000 m diep in zee. Ommatoiulus specie alba is een grote, witte, cilindervormige duizendpoot. We vinden hier ook wilde mangobomen dank zij het subtropische klimaat. Aeonium volkeri is pas gevonden in 2004 en verschilt volledig van alle andere soorten, hij heeft zeer mooie bladeren met bloedrode bladranden, een floraal juweeltje ! Lavendula minutolii is een bladsucculent want hij verliest zijn bladeren niet en heeft geen wasbedekking. Met een zicht op de terugweg beëindigen we dan onze laatste botanische exploitatietocht.

Vriend Albert, van harte bedankt voor uw iet wat lange voordracht maar wij weten dat het plantenparadijs van Tenerife uw werkelijke passie is, meer dan een tweede liefde. Nog veel succes, beterschap met uw gezondheid en nog menig verblijf op uw Tenerife. Albert, nogmaals bedankt !!!
Hier eindigt dan ons welgevuld en interessant werkjaar 2013; de volgende clubvergadering is op vrijdag 10 januari, een voordracht ‘Flora Cretensis’ door Kris De Raeymaker, ons allen bekend en geapprecieerd. Wij verwachten u talrijk !

Hierbij sluit ik af met de beste wensen voor het eindejaar en een vruchtbaar en gelukkig werkjaar 2014; dit alles vanwege het bestuur en van de gelegenheidsrapporteurs Johan en Henri. Nogmaals een gezegend en gelukkig 2014 en zeker een goede gezondheid ! Stekelige groeten van Henri.











Ceropegia dichotoma

Euphorbia canariensis





Aeonium lindleyi

Aeonium urbicum







Dracaena draco

Monanthes polyphylla


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©www.azrefs.org 2016
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə